Vuurwerkgeschiedenis

Volgens de legendes komt vuurwerk voort uit china en bestaat het al zo'n 2000 jaar. De meest bekende legende is dat vuurwerk bij toeval werd ontdekt door een kok die in een legerkeuken werkte. Het gebeurde toen hij houtskool, zwavel en salpeter mengde (deze elementen waren in die tijd aanwezig in een gemiddelde keuken). Het mengsel brande en wanneer hij het samenperste in een bamboebuis explodeerde het mengsel.

Andere bronnen plaatsen de ontdekking echter een stuk later in de 9de eeuw tijdens de dynastie van Song (960-1279). Hierbij kan echter verwarring zijn tussen de ontdekking van buskruit door de kok, en de uitvinding van de "rotjes" zoals wij die nu kennen, waarbij het dus "echt" vuurwerk werd.

Een Chinese monnik genaamd Li Tian, die dichtbij de stad van Liu Yang in de Provincie van Hunan leefde, wordt verantwoordelijk gehouden voor de uitvinding van "rotjes" ongeveer 1.000 jaar geleden. De Chinese bevolking viert de uitvinding van het "rotje" elke 18e April door offers aan Li Tian aan te bieden. Tijdens de Dynastie van Song, vestigden de lokale mensen zelfs een tempel speciaal om Li Tian te aanbidden.

Rotjes, zowel toen als nu, hebben volgens de overlevering de kracht om kwade geesten af te weren, die door de luide klappen van de rotjes bang worden gemaakt. Rotjes worden in china ook vandaag de dag nog gebruikt voor dit doel bij gebeurtenissen als geboorten, sterfgevallen en verjaardagen. Het Chinese Nieuwe Jaar is in het bijzonder een populaire gebeurtenis die met rotjes wordt gevierd om het nieuwe jaar vrij van kwade geesten in te luiden.

Tot op heden is het gebied van Liu Yang in de Provincie Hunan het belangrijkste vuurwerk productiegebied ter wereld. Het is belangrijk om de geografische oorsprong van vuurwerk te herinneren, omdat tegenstanders van de vuurwerkindustrie vaak als argument gebruiken dat het vuurwerk in China wordt geproduceerd om uit goedkope arbeid voordeel te halen. De werkelijkheid is echter dat de vuurwerkindustrie in China lang voor de komst van de moderne tijd en lang voor de ongelijkheid in oost-west loontarieven bestond.

Over het algemeen wordt Marco Polo gezien als de man die het Chinese buskruit in de 13e eeuw naar Europa heeft gebracht. Er zijn echter anderen die de kruisvaarders zien als eerste importeurs van het buskruit.

Toen het buskruit naar Europa werd gebracht, werd het zwarte poeder in eerste instantie gebruikt voor militaire doeleinden. Eerst in musketten, daarna in geweren en kanonnen. Italianen waren de eerste Europeanen die het zwarte poeder gebruikten om vuurwerk te vervaardigen. Duitsland liep samen met Italie in de 18de eeuw voorop in Europa op het gebied van vuurwerk.

Later werden ook de Engelsen gefascineerd door vuurwerk. Vuurwerk werd zeer populair in Groot-Brittannië tijdens regeringsperiode van Koningin Elizabeth I. Zelfs William Shakespeare vermeldt vuurwerk in zijn werken! De koningin was zo gek van vuurwerk dat ze er iemand speciaal voor aannam: de "firemaster of England". De latere Koning James II was zo onder de indruk van het vuurwerk tijdens zijn inwijding dat hij de verantwoordelijke "firemaster" benoemde tot ridder, dit is in Groot Britannie een grote eer!

In de vroege jaren '70 begon de Amerikaanse vuurwerkindustrie de chinsese vuurwerkindustrie te beïnvloeden. Dit gebeurde na de verbetering van de relatie van President Nixon met de Chinese Communistische overheid.

Tijdens de jaren 1970 - 1980 werd het vuurwerk geproduceerd door bedrijven die in staatshanden waren. Deze werden verplicht te leveren aan door de staat gerunde provenciale exportorganisaties. Producten die in Hunan werden gemaakt moesten verkocht worden door de exportorganisatie van Hunan. Producten die in Jianxi werden gemaakt moesten verkocht worden door de exportorganisatie van Jianxi enzovoorts. Tijdens deze periode hoefden de bedrijven geen winst te maken. Hun doel was meer om de mensen aan het werk te houden in een regio waar eigenlijk geen werk was (communisme). De Chinese overheid subsidueerde deze bedrijven om ze draaiende te houden.

De provinciale exportorganisaties verkochten op hun beurt aan de makelaars in Hong Kong die de brug vormden tussen het Chinese platteland en het buitenland. Deze makelaars verzorgden de bestellingen, regelden de logistiek, en hielpen de bestellingen te financieren.

Dit was ook de tijd dat de eerste formeel erkende leider van China, Voorzitter Deng Xiaoping, inzag wat zijn tegenhangers in de voormalige Sovjet-Unie niet hadden ingezien. Hij zag namelijk dat het communisme economisch weinig toekomst heeft. Voorzitter Deng begon daarop met een beleid van economische hervormingen dat China fundamenteel op de weg naar kapitalisme plaatste.

Tijdens de jaren '80 stelde China zijn grenzen open voor buitenlandse vuurwerkimporteurs. Dit stelde de eerste buitenlandse vuurwerkkopers in staat om zelf naar de productiegebieden te reizen en daar relaties met de exporteurs van Hong Kong en de provinciale uitvoerbedrijven te vestigen.

In de jaren '90, ging de economische hervorming onder de toenmalige Voorzitter Jiang Zemin verder. Aangezien de Chinese fabrieken niet langer subsidie kregen werden zij gedwongen om voor het eerst winst te behalen. Het was tijdens deze periode dat veel personeel van de provinciale bedrijven de voormalige overheidsbedrijven verlieten en zelf een bedrijfje begonnen.

Aanvankelijk werkten deze nieuwe privé bedrijven via de gevestigde makelaars van Hong Kong om het buitenland te bereiken. Maar binnen een paar jaar verkochten zij zelf rechtstreeks aan het buitenland. Om te kunnen overleven investeerden de makelaars uit Hong Kong geld in Chinese fabrieken om hun eigen exclusieve productlijnen te beginnen zodat zij grote klanten bleven. Met het verlies van zeer belangrijk personeel hebben de meeste overheidsbedrijven de omslag niet kunnen maken. Zij zijn vaak of verdwenen, of richten zich enkel op de binnenlandse markt.

In de jaren '90 was er een snelle groei van zogenaamde private labels zodat de buitenlandse bedrijven onderscheidend kunnen zijn door een eigen productlijn. Vanaf het jaar 2000 is China eigenlijk „vrij voor allen“ met kleine vastelands uitvoer-makelaar bedrijven die zich verdringen op de markt. Bovendien proberen de afzonderlijke fabrieken om de historische kanalen te mijden en zij verkopen daarom steeds vaker rechtstreeks aan de buitenlandse importeurs.